/
161 verbs
bakken bakte/bakten gebakken to bake h
barsten barstte/barstten is gebarsten to burst, crack z
bedriegen bedroog/bedrogen bedrogen to deceive h
beginnen begon/begonnen is begonnen to begin z
begrijpen begreep/begrepen begrepen to understand h
bevallen beviel/bevielen is bevallen to please; give birth z
bewegen bewoog/bewogen bewogen to move h
bidden bad/baden gebeden to pray h
bieden bood/boden geboden to offer h
bijten beet/beten gebeten to bite h
binden bond/bonden gebonden to bind, tie h
blazen blies/bliezen geblazen to blow h
blijken bleek/bleken is gebleken to appear, turn out z
blijven bleef/bleven is gebleven to stay, remain z
breken brak/braken gebroken to break h
brengen bracht/brachten gebracht to bring h
buigen boog/bogen gebogen to bend, bow h
denken dacht/dachten gedacht to think h
doen deed/deden gedaan to do h
dragen droeg/droegen gedragen to carry, wear h
drijven dreef/dreven gedreven to float; drive h
dringen drong/drongen gedrongen to push through h
drinken dronk/dronken gedronken to drink h
druipen droop/dropen gedropen to drip h
duiken dook/doken gedoken to dive h
dwingen dwong/dwongen gedwongen to force h
eten at/aten gegeten to eat h
ervaren ervoer/ervoeren ervaren to experience h
fluiten floot/floten gefloten to whistle h
gaan ging/gingen is gegaan to go z
gelden gold/golden gegolden to be valid; cost h
genezen genas/genazen is genezen to heal, recover z
genieten genoot/genoten genoten to enjoy h
geven gaf/gaven gegeven to give h
gieten goot/goten gegoten to pour h
glijden gleed/gleden is gegleden to slide, glide z
graven groef/groeven gegraven to dig h
grijpen greep/grepen gegrepen to grab, seize h
groeien groeide/groeiden is gegroeid to grow z
hangen hing/hingen gehangen to hang h
hebben had/hadden gehad to have h
heffen hief/hieven geheven to lift, raise h
helpen hielp/hielpen geholpen to help h
heten heette/heetten geheten to be called h
hoeven hoefde/hoefden gehoeven to need (not) h
houden hield/hielden gehouden to hold; love h
kijken keek/keken gekeken to look, watch h
kiezen koos/kozen gekozen to choose h
klimmen klom/klommen is geklommen to climb z
klinken klonk/klonken geklonken to sound h
knippen knipte/knipten geknipt to cut (with scissors) h
komen kwam/kwamen is gekomen to come z
kopen kocht/kochten gekocht to buy h
krijgen kreeg/kregen gekregen to get, receive h
kruipen kroop/kropen is gekropen to crawl z
kunnen kon/konden gekund can, to be able h
lachen lachte/lachten gelachen to laugh h
laden laadde/laadden geladen to load h
laten liet/lieten gelaten to let; leave h
lezen las/lazen gelezen to read h
liegen loog/logen gelogen to lie h
liggen lag/lagen gelegen to lie (down) h
lijden leed/leden geleden to suffer h
lijken leek/leken geleken to seem, resemble h
lopen liep/liepen (is) gelopen to walk z
meten mat/maten gemeten to measure h
mijden meed/meden gemeden to avoid h
mogen mocht/mochten gemogen may, to be allowed h
moeten moest/moesten gemoeten must, have to h
nemen nam/namen genomen to take h
ontbijten ontbeet/ontbeten ontbeten to have breakfast h
ontstaan ontstond/ontstonden is ontstaan to arise, originate z
ontvangen ontving/ontvingen ontvangen to receive h
raden ried/rieden geraden to advise; guess h
rijden reed/reden (is) gereden to ride, drive z
rijzen rees/rezen is gerezen to rise z
roepen riep/riepen geroepen to call, shout h
ruiken rook/roken geroken to smell h
scheiden scheidde/scheidden is gescheiden to divorce, separate z
schelden schold/scholden gescholden to scold, swear h
schenken schonk/schonken geschonken to pour; donate h
scheppen schiep/schiepen geschapen to create h
scheren schoor/schoren geschoren to shave h
schieten schoot/schoten geschoten to shoot h
schijnen scheen/schenen geschenen to shine, seem h
schijten scheet/scheten gescheten to shit h
schrikken schrok/schrokken is geschrokken to be startled z
schrijven schreef/schreven geschreven to write h
schuiven schoof/schoven geschoven to push, slide h
slaan sloeg/sloegen geslagen to hit, strike h
slapen sliep/sliepen geslapen to sleep h
slijpen sleep/slepen geslepen to sharpen h
slijten sleet/sleten gesleten to wear out h
sluipen sloop/slopen is geslopen to sneak z
sluiten sloot/sloten gesloten to close h
smelten smolt/smolten is gesmolten to melt z
smijten smeet/smeten gesmeten to throw, fling h
snijden sneed/sneden gesneden to cut h
snuiten snoot/snoten gesnoten to blow (nose) h
spannen spande/spanden gespannen to stretch, tighten h
spinnen spon/sponnen gesponnen to spin; purr h
spijten speet/speten gespeten to regret h
springen sprong/sprongen is gesprongen to jump z
spreken sprak/spraken gesproken to speak h
staan stond/stonden gestaan to stand h
steken stak/staken gestoken to stab; put h
stelen stal/stalen gestolen to steal h
sterven stierf/stierven is gestorven to die z
stijgen steeg/stegen is gestegen to rise, climb z
stinken stonk/stonken gestonken to stink h
strijden streed/streden gestreden to fight, struggle h
strijken streek/streken gestreken to iron, stroke h
stuiven stoof/stoven is gestoven to blow (dust) z
treden trad/traden is getreden to step, tread z
treffen trof/troffen getroffen to hit; meet h
trekken trok/trokken getrokken to pull h
vallen viel/vielen is gevallen to fall z
vangen ving/vingen gevangen to catch h
varen voer/voeren is gevaren to sail z
vechten vocht/vochten gevochten to fight h
verbieden verbood/verboden verboden to forbid h
verdwijnen verdween/verdwenen is verdwenen to disappear z
vergelijken vergeleek/vergeleken vergeleken to compare h
vergeten vergat/vergaten (is) vergeten to forget z
verliezen verloor/verloren verloren to lose h
verschijnen verscheen/verschenen is verschenen to appear z
vertrekken vertrok/vertrokken is vertrokken to leave, depart z
vinden vond/vonden gevonden to find h
vlechten vlocht/vlochten gevlochten to braid, weave h
vliegen vloog/vlogen (is) gevlogen to fly z
vragen vroeg/vroegen gevraagd to ask h
vriezen vroor/vroren gevroren to freeze h
waaien waaide/waaiden gewaaid to blow (wind) h
wassen waste/wasten gewassen to wash h
wegen woog/wogen gewogen to weigh h
werpen wierp/wierpen geworpen to throw h
werven wierf/wierven geworven to recruit h
weten wist/wisten geweten to know h
wijken week/weken is geweken to retreat, yield z
wijzen wees/wezen gewezen to point h
willen wilde/wilden gewild to want h
winden wond/wonden gewonden to wind h
winnen won/wonnen gewonnen to win h
worden werd/werden is geworden to become z
wrijven wreef/wreven gewreven to rub h
wringen wrong/wrongen gewrongen to wring h
zeggen zei/zeiden gezegd to say h
zenden zond/zonden gezonden to send h
zien zag/zagen gezien to see h
zijn was/waren is geweest to be z
zingen zong/zongen gezongen to sing h
zinken zonk/zonken is gezonken to sink z
zitten zat/zaten gezeten to sit h
zoeken zocht/zochten gezocht to search h
zuigen zoog/zogen gezogen to suck h
zuipen zoop/zopen gezopen to booze h
zullen zou/zouden - shall, will (auxiliary) h
zwellen zwol/zwollen is gezwollen to swell z
zwemmen zwom/zwommen is gezwommen to swim z
zweren zwoer/zwoeren gezworen to swear h
zwijgen zweeg/zwegen gezwegen to be silent h